Home > Nieuws > LJN BQ 2995

LJN BQ 2995

 

GERECHTSHOF ARNHEM
Sector belastingrecht


4.  Beoordeling van het geschil

4.1  Het Hof zal vanuit een oogpunt van proceseconomie als eerste belanghebbendes beroep ten aanzien van het niet voortvarend genoeg voorbereiden en opleggen van de onderwerpelijke navorderingsaanslagen behandelen.

4.2  De in geding zijnde navorderingsaanslagen zijn opgelegd met dagtekening 23 december 2003. Niet gesteld of gebleken is dat aan belanghebbende uitstel is verleend voor het doen van aangifte. De navorderingsaanslagen zijn daarom opgelegd op een tijdstip waarop de ten aanzien van binnenlandse tegoeden geldende vijfjaarstermijn was verstreken. Vaststaat dat de in geschil zijnde navorderingsaanslagen (tijdig) zijn opgelegd op grond van de zogenoemde verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).

4.3  Uit de verklaring voor recht van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 11 juni 2009 (gevoegde zaken X en Passenheim-van Schoot), C 155/08 en C-157/08, LJN BI8987, dient te worden afgeleid dat de artikelen 49 en 56 van het EU-verdrag zich er niet tegen verzetten dat een lidstaat die niet beschikt over aanwijzingen van het bestaan van spaartegoeden die worden aangehouden in een andere lidstaat, voor de belastingheffing over (inkomsten uit) dergelijke tegoeden een langere navorderingstermijn toepast dan de termijn die geldt voor de belastingheffing in verband met tegoeden in de eigen staat.

4.3.1  Beschikken de belastingautoriteiten wel over die aanwijzingen, en wordt naar aanleiding daarvan een navorderingsaanslag opgelegd na het verstrijken van de termijn die zou gelden met betrekking tot tegoeden die worden aangehouden in de eigen staat, dan moet de daaruit voortvloeiende beperking van het vrije verkeer worden aanvaard indien de navorderingsaanslag wordt opgelegd met inachtneming van het tijdsverloop dat na het opkomen van de bedoelde aanwijzingen noodzakelijkerwijs is gemoeid met (i) het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting, en tevens (ii) het met redelijke voortvarendheid voorbereiden en vaststellen van een aanslag aan de hand van de gegevens die de inspecteur ter beschikking staan.

4.3.2  Het in punt 47 van het hiervoor onder 4.3 vermelde arrest van het Hof van Justitie genoemde evenredigheidsbeginsel verzet zich ertegen dat de inspecteur met betrekking tot tegoeden die worden aangehouden in een andere lidstaat, ook na het hiervoor in 4.3.1 bedoelde tijdsverloop gebruik maakt van zijn bevoegdheid op grond van artikel 16, vierde lid, van de AWR om een navorderingsaanslag op te leggen op een tijdstip waarop de ten aanzien van binnenlandse tegoeden geldende vijfjaarstermijn van artikel 16, derde lid, van de AWR is verstreken. De rechtvaardiging die het Hof van Justitie aanwezig heeft geacht voor de aan toepassing van artikel 16, vierde lid, van de AWR verbonden beperking van het vrije verkeer, is gelegen in het waarborgen van de doeltreffendheid van de fiscale controles en het bestrijden van belastingfraude. Die rechtvaardiging is er niet als ten aanzien van (inkomsten uit) buitenlandse tegoeden de navorderingstermijn die voor (inkomsten uit) binnenlandse tegoeden zou gelden verder wordt overschreden dan uit het in 4.3.1 bedoelde tijdsverloop voortvloeit (vergelijk Hoge Raad 26 februari 2010, nr. 43.050bis, LJN: BJ9092, BNB 2010/199).

4.4  Voor de beoordeling van de voortvarendheid die de Inspecteur bij de voorbereiding en het opleggen van de onderwerpelijke navorderingsaanslagen aan de dag heeft gelegd is van belang wanneer en welke acties de Inspecteur bij het voorbereiden en opleggen van de onderwerpelijke navorderingsaanslagen heeft ondernomen. Daarbij is het volgende van belang. Bij brief van 27 oktober 2000 heeft de Bijzondere belastinginspectie van het Koninkrijk België aan de Nederlandse belastingdienst spontaan inlichtingen verstrekt over financiële rekeningen bij de Kredietbank Luxembourg van circa 10.200 Nederlandse rekeninghouders, waarvan een deel codenamen gebruikten (de microfiches). Met het oog op een gelijke rechtstoepassing is in de loop van 2001 besloten tot een projectmatige aanpak. In het kader van het kunnen identificeren van de rekeninghouders is op 8 augustus 2001 met de Rijksdienst voor het wegverkeer overeenstemming bereikt over het gebruik van haar bestanden. Na in het laatste kwartaal 2001 gecontroleerd te hebben of de verkregen gegevens bruikbaar en betrouwbaar waren, werden de uit het identificatietraject verkregen gegevens in drie tranches (januari 2002, maart 2002 en juni/juli 2002) verspreid over de regionale belastingdiensteenheden. De Inspecteur heeft medio november 2003 renseignementen ontvangen op grond waarvan hij de onderwerpelijke navorderingsaanslagen met dagtekening 23 december 2003 heeft opgelegd.

4.5  De Inspecteur heeft verklaard te beschikken over een stuk met dagtekening 16 september 2002, van de gemeente Q dat betrekking heeft op de identificatie van belanghebbende. Vaststaat dat de Inspecteur op 3 december 2003 aan belanghebbende de hiervoor onder 2 (onderdeel 10.) vermelde brief heeft gezonden. Niet gesteld of gebleken is dat de Inspecteur toen beschikte over meer of andere informatie dan op of kort na 16 september 2002. Het Hof leidt daaruit af dat de belastingautoriteiten reeds op of kort na 16 september 2002 beschikte over aanwijzingen dat belanghebbende beschikte over in het buitenland aangehouden spaartegoeden.

4.6  In november 2003 heeft de FIOD de informatie, van belang voor het opleggen van onderwerpelijke navorderingsaanslagen, aan de Inspecteur gezonden. Uit het dossier blijkt niet dat de Inspecteur of enige andere functionaris van de Belastingdienst tussen 16 september 2002 en 3 december 2003 enige andere handeling heeft verricht in verband met het verkrijgen van inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting of het voorbereiden of vaststellen van de in geding zijnde navorderingsaanslagen. De Inspecteur heeft desgevraagd verklaard niet te kunnen zeggen of en, zo ja, welke activiteiten in dit tijdvak van meer dan een jaar hebben plaatsgevonden die verband houden met de in geding zijnde navorderingsaanslagen. Onder deze omstandigheden is naar het oordeel van het Hof met het voorbereiden en vaststellen van de in geding zijnde navorderingsaanslagen een langere termijn gemoeid geweest dan op grond van de hiervoor onder 4.3 vermelde rechtspraak kan worden aanvaard. De Inspecteur heeft derhalve deze navorderingsaanslagen in strijd met het in 4.3.2 genoemde evenredigheidsbeginsel opgelegd zodat ze dienen te worden vernietigd. Ditzelfde heeft te gelden voor de in de navorderingsaanslagen begrepen verhogingen en de genomen kwijtscheldingsbesluiten alsmede de in rekening gebrachte heffingsrente.

4.5  Gelet op de in 4.6 gegeven oordelen behoeven de overige geschilpunten geen behandeling meer.