Home > Nieuws > LJN BR2076

LJN BR2076

 Sopropé-arrest
2.21. In het Sopropé-arrest heeft het HvJ EG vastgesteld dat de eerbiediging van de rechten van de verdediging een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht vormt dat van toepassing is wanneer de administratie voornemens is een bezwarend besluit ten opzichte van een bepaalde persoon vast te stellen. Dit beginsel vereist dat de adressaat van een besluit dat zijn belangen aanmerkelijk raakt, in staat wordt gesteld naar behoren zijn standpunt kenbaar te maken over de elementen waarop de administratie haar besluit wil baseren. Daartoe dient een redelijke termijn te worden geboden. Deze procedurele verplichting rust op de administratieve overheden van de lid-staten wanneer zij besluiten nemen die binnen de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht vallen, ook indien de toepasselijke communau-taire wetgeving niet uitdrukkelijk in een dergelijke formaliteit voorziet. Voor wat betreft de tenuitvoerlegging van dit beginsel en meer in het bijzonder wat de termijnen voor de uit-oefening van de rechten van de verdediging betreft, mogen die niet van een zodanige aard zijn dat zij de uitoefening van de rechten van de verdediging in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maken.

2.22. Nu de hier voorliggende naheffingsaanslagen omzetbelasting zijn gebaseerd op de Wet op de omzetbelasting 1968 welke wet de implementatie van Europese richtlijnen vormt, vallen deze besluiten naar het oordeel van de rechtbank binnen de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht. Daaruit volgt dat ook bij dergelijke naheffingsaanslagen het beginsel van toepassing is dat degene die door die naheffingsaanslagen aanmerkelijk in zijn belang wordt geraakt, de gelegenheid krijgt voorafgaand aan de naheffingsaanslag zijn standpunt kenbaar te maken over de elementen waarop de belastingdienst de aanslagen wil baseren. Tussen partijen is niet in geschil dat de naheffingsaanslagen de belangen van eiseres aanmerkelijk raken.

2.23. In het Sopropé-arrest heeft het HvJ EG voorts overwogen dat bij het bepalen van de termijn die aan een belanghebbende wordt gesteld om zijn standpunt kenbaar te maken, rekening moet worden gehouden met de belangen van de adressaat van een besluit, met de complexiteit van de toe te passen procedures en wetgeving, met het aantal personen dat door het besluit kan worden geraakt en de overige in aanmerking te nemen publieke of particu-liere belangen. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat een lidstaat bijvoorbeeld teneinde verduistering te voorkomen, de termijnen kan beperken.

2.24. Voor wat betreft de naheffingsaanslag met aanslagnummer [nummer] geldt dat deze zonder aankondiging vooraf is uitgereikt aan eiseres en direct en ineens invorder-baar is gesteld. Aan eiseres is derhalve terzake van deze naheffingsaanslag in het geheel niet voorafgaand aan het opleggen van de aanslag de gelegenheid geboden haar standpunten kenbaar te maken over de elementen waarop de belastingdienst die aanslag heeft gebaseerd. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging geschonden. Zoals uit het arrest van het HvJ EG van 10 juli 1980, 30/78 (Distillers Company), LJN: BE4738, Jurispr. blz. 2229 en de arresten van de HR van 18 april 2008, nr 37 790, LJN: AF7495 en 15 mei 2009, nr 08/00437 LJN: BI3751 kan worden afgeleid, hoeft een dergelijke schending van een procedureregel geen gevolgen te hebben voor de naheffingsaanslag indien de belastingplichtige door de gang van zaken niet is benadeeld.

2.25. Nu aan eiseres in het geheel geen termijn is geboden om haar standpunten kenbaar te maken en de aanslag direct en ineens invorderbaar is gesteld als gevolg waarvan eiseres de aanslag moest betalen nog voordat zij de gelegenheid heeft gehad zich daarover uit te laten, is reeds om die reden sprake van benadeling van eiseres. Aan de schending van de procedureregel kan daarom niet worden voorbijgegaan.

2.26. Verweerder stelt zich in dit kader op het standpunt dat in dit geval de publieke belangen zwaarder dienen te wegen dan het belang van eiseres en dat het daarom gerechtvaardigd is dat aan eiseres geen termijn is geboden. Hij stelt dat het noodzakelijk was de aanslag zonder vooraankondiging direct en ineens invorderbaar te stellen omdat er een risico van collusie bestond. Verweerder stelt voorts dat eiseres in de bezwaarfase de gelegenheid heeft gekregen zich over de aanslag uit te laten en dat daarmee haar rechten voldoende zijn gewaarborgd. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat, nu sprake is van fraude, aan eiseres ingevolge het Kittel/Recolta-arrest geen beroep toekomt op het gemeenschapsrecht.

2.27. Hoewel een afweging van het particuliere belang van een belastingplichtige en het algemene belang van de staat onder omstandigheden in het nadeel van die belastingplichtige kan uitvallen, is daarvoor in het voorliggende geval geen aanleiding. In het bijzonder is in het voorliggende geval onvoldoende reden eiseres in het geheel geen termijn te bieden en de aanslag rauwelijks op te leggen. Verweerder heeft zijn stellingen ten aanzien van het risico van collusie niet nader geconcretiseerd en heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat dit risico, zo al aanwezig, zodanig was dat het belang van de staat diende te prevaleren boven dat van eiseres en dat dit de zeer vergaande inperking van de rechten van de verdediging rechtvaardigt. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat bij het uitreiken van de naheffingsaanslag de gehele administratie van eiseres in beslag is genomen zodat het niet goed denkbaar is dat eiseres daaruit nog stukken zou kunnen verduisteren.

2.28. Dat eiseres in de bezwaarfase alsnog haar standpunten kenbaar heeft kunnen maken, maakt niet dat zij niet in haar belangen is geschaad dan wel dat, zoals verweerder naar de rechtbank begrijpt te stellen, die schade daarmee is hersteld.

2.29. Het beroep van verweerder op Kittel/Recolta treft geen doel. Weliswaar is daarin geoordeeld dat indien sprake is van fraude of misbruik justitiabelen geen beroep kunnen doen op het gemeenschapsrecht, daaruit volgt echter niet dat algemene rechtsbeginselen van gemeenschapsrecht niet behoeven te worden geëerbiedigd.

2.30. Voor wat betreft de aanslag met volgnummer F.01.4501 constateert de rechtbank dat het controlerapport, waarin gedetailleerd is vermeld op welke feiten deze aanslag is gebaseerd, aan eiseres is toegestuurd op 8 september 2006 en dat aan eiseres een termijn van twee weken is geboden om hierop te reageren. De naheffingsaanslag is opgelegd met dagtekening 26 september 2006. Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres met de termijn van twee weken voldoende gelegenheid geboden haar standpunt kenbaar te maken over die feiten. De termijn die beschikbaar was om te reageren was weliswaar kort, maar niet zodanig kort dat kan worden gesteld dat het uitoefenen van het recht van verdediging onmogelijk dan wel uiterst moeilijk is gemaakt.